Concertverslag Huijnen & Grotenhuis – zaterdag 14 februari 2015

Concertverslag Huijnen & Grotenhuis - zaterdag 14 februari 2015

Zaterdagmiddag 14 februari 2015 – wisselend zon en bewolkt. Om half drie arriveren onze twee musici. Marieke Grotenhuis, top accordeoniste en Cécile Huijnen, eerste concertmeester van het Nederlands Balletorkest en Het Gelders Orkest. Áls ik me al zorgen maak is het over de opkomst en het weer – en of de bloemen op tijd bezorgd worden. Maar niet over de beide dames, die pakken onder ontspannen gelach hun instrumenten uit en drinken een straf kopje koffie, gezet door mijn aanstaande nieuwe collega Anne Margriet. Als die twee nú niet wakker zijn weet ik het niet meer! Alle lof voor onze leverancier De Sitter Bloemen, ondanks de Valentijnsdrukte worden de twee bossen prima op tijd bezorgd, hulde!

Béla Bartók – Roemeense Volksdansen 1915  – opus 7

Béla Viktor János Bartók (Nagyszentmiklós, 25 maart 1881 – New York, 26 september 1945) was een Hongaars componist en pianist. Bartók wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste componisten van de twintigste eeuw. Bartók kreeg ook bekendheid door zijn uiterst nauwgezette transcripties van de Oost-Europese volksmuziek in samenwerking met Zoltán Kodály en was daarmee een van de grondleggers van de etnomusicologie.

Béla Bartók werd geboren in Nagyszentmiklós, het huidige Sânnicolau Mare, in Roemenië. Soort drielandenpunt met Hongarije en het tegenwoordige Servië. Al op jonge leeftijd gaf hij blijk van zijn muzikaal talent. Op zijn negende schreef hij zijn eerste – kleine – composities voor piano, meest korte dansen. Zijn moeder stimuleerde zijn muzikale ontwikkeling en was zelfs bereid om te verhuizen, om ervoor te zorgen dat haar zoon les kon krijgen van de beste muziekleraren. Bartók studeerde piano aan het conservatorium van Presburg (thans: Bratislava) en leerde zichzelf componeren door partituren te lezen. Misschien moet ik dat ook eens proberen? Later studeerde hij aan de Lisztacademie in Boedapest, onder andere bij Hans von Koessler. Nadat hij daar was afgestudeerd, werd Bartók concertpianist en – in 1907 – docent piano aan de eerder genoemde muziekacademie. In zijn vroege werken stond hij sterk onder invloed van werken van Hector Berlioz, Franz Liszt en Richard Strauss, componisten die hij zeer bewonderde.

In 1917 had Bartók, na aanvankelijke tegenslagen, zijn eerste succes met de uitvoering van zijn ballet De Houten Prins. Het stuk was aanvankelijk geweigerd door de vaste Hongaarse dirigenten van de Opera van Boedapest, maar een Italiaanse gastdirigent, Egisto Tango, durfde het aan. Tijdens de repetities was er bij de uitvoerenden veel weerstand tegen de muziek: zij vonden het ‘onspeelbaar’, maar de uitvoering werd een groot succes. Een jaar later had hij een soortgelijk succes met de opera Hertog Blauwbaards burcht. Daarna kreeg hij al snel internationale bekendheid en maakte vele concertreizen door Europa en Amerika. Ook in Nederland werd zijn werk vanaf het begin van de jaren twintig veelvuldig uitgevoerd.

Vanaf 1933 werd in Duitsland Bartóks muziek als “entartet” (ontaard) beschouwd en uitvoeringen van zijn werk werden verboden. De politieke ontwikkelingen in Europa in de jaren ’30 brachten Bartók er uiteindelijk toe in 1940 naar Amerika te emigreren. Daar heeft hij echter nooit echt kunnen aarden en daar kunnen we ons wel iets bij voorstellen. In de Verenigde Staten werd Bartóks muziek niet gewaardeerd en aan de transfer van royalty’s vanuit Europa kwam een einde, zodat de componist grote moeite had om in zijn levensonderhoud te voorzien. Voor de Columbia University transcribeerde Bartók vanaf maart 1941 enige tijd Servo-Kroatische volksliederen.

Onder de betoverende klanken van Cécile en Marieke krijg ik visioenen van het Roemeense landschap – da’s merkwaardig want ik ben er nooit geweest! Dit is weer zo’n moment, als je denkt dat je het boeiendste concert in de reeks gehad hebt, wordt je ineens bij je lurven gegrepen door een tweetal dat de bakens toch weer verzet! Klasse!

Antonín Dvořák – Slavische dansen no. 1 in g (Kreisler) / humoresque op. 101 / 7

Antonín Leopold Dvořák (Nelahozeves, bij Kralupy nad Vltavou, Bohemen, 8 september 1841 – Praag, 1 mei 1904) was een Tsjechisch componist, dirigent, muziekpedagoog, (alt)violist en organist. Dvořák wordt met Bedřich Smetana en Leoš Janáček gerekend tot de grootste componisten van zijn land. Dvořáks vader František Dvořák had een restaurant en een slagerij, die hij van zijn vader had geërfd. Zijn moeder Anna Zděnková was een dochter van een rentmeester. Hun huwelijk werd op 17 november 1840 voltrokken; Antonín was het eerste van negen kinderen. Zo ging dat in die tijd.

Op 6-jarige leeftijd ging hij op school in Nelahozeves en kreeg hij van zijn leraar de eerste vioollessen. In 1853 vertrok hij naar Zlonice om Duits te leren, want deze taal was in Bohemen, zeg maar het linker deel van Tjechië, dat toen deel van Oostenrijk was, belangrijk. Bij Antonín Liehmann, de dirigent van het kerkkoor in Zlonice, kreeg hij piano- en orgelles. Hij speelde in het kleine orkest van zijn leraar mee en begon met componeren. In de herfst van 1856 ging Dvořák naar Česká Kamenice, verbeterde zijn kennis van de Duitse taal en studeerde bij František Hancke. Vanaf oktober 1857 ging hij op de Duitstalige Praagse orgelschool en volgde hij algemeen openbaar onderwijs. Hij werd altviolist in het orkest van de Caeciliavereniging, die twee keer per jaar een optreden verzorgde. Omdat hij geen baan als organist kon krijgen, werkte hij vanaf de zomer van 1859 als altviolist in het orkest van Karl Komzák, dat in cafés, op marktplaatsen en in kiosken ouvertures, dansen en potpourri’s speelde. Gedurende de 11 jaren dat hij in dit orkest speelde, bekwaamde hij zich als autodidact in het componeren, zonder dat hij ook maar één werk publiceerde. Aanvankelijk concentreerde hij zich bij het componeren op het strijkkwartet; in totaal zou hij uiteindelijk een oeuvre van 14 strijkkwartetten nalaten.

Vanaf 1865 gaf Dvořák naast zijn werk aan het theater voor het geld ook pianolessen. Twee bekende leerlingen waren de zusters Josefina en Anna Čermáková. Dvořák werd verliefd op de toen zestienjarige Josefina, een verliefdheid die ongelukkig afliep: hij huwde de jongere Anna acht jaar later op 17 november 1873.

Vanaf 1874 gaf Dvořák aan een privé-muziekschool muzieklessen en hij nam in februari een betrekking als organist aan in de kerk Sint Adalbert, die hij tot februari 1877 uitoefende. In 1874 diende hij bij de “Oostenrijkse commissie voor de kunst”, waar ook de overbekende muziekcriticus Eduard Hanslick lid van was, een verzoek in voor een stipendium voor talentvolle, jonge kunstenaars zonder vermogen, die al eigen werken gepubliceerd hebben. Johannes Brahms was in hetzelfde jaar zijn voorspraak voor een vervolgstipendium voor de eenvoudige Moravische Duetten. Brahms deed ook een goed woord bij de muziekuitgever Fritz Simrock voor de publicatie van deze duetten. Compositorisch was Dvořák nu enigszins op Brahms georiënteerd, wat te herkennen is in de Slavische dansen, op. 46, de 6e symfonie en het strijkkwartet C-groot, op. 61. Vanaf 1878 geraakten de beide componisten innig bevriend.

Beide stukken boeiend gespeeld, flarden weemoed, maar ook humor, of is het cynisme?

Astor Piazzolla – café 1930

Ástor Piazzolla (Mar del Plata, 11 maart 1921 – Buenos Aires, 4 juli 1992) was een Argentijns tanguero (tangomuzikant), bandoneonist en componist. Zijn nieuwe tangobenadering zorgde voor een vernieuwing van de Tango. Piazzolla was een controversiële figuur op muzikaal en politiek vlak.

Hij was enig kind van Vicente Piazzolla en Asunta Mainetti. In 1925 verhuisde de familie naar New York, waar zij tot 1936 woonden. In 1929, toen Piazzolla 8 jaar oud was, gaf zijn vader hem zijn eerste bandoneon. Hij studeerde een jaar bandoneon bij Andrés d’Aquila, met wie hij zijn eerste opname maakte, Marionette Spagnol.

In 1933 studeerde hij bij de Hongaarse pianist Béla Wilda, leerling van Sergej Rachmaninov, over wie Piazzolla later zei: “Bij hem leerde ik Bach waarderen.” Mooi is dat!

Adiós nonino (Dag vadertje) is een bekende tango van Piazzolla. Piazzolla schreef het lied in 1959 nadat zijn vader was overleden. De titel van het lied is een samenvoeging van het Spaanse woord voor vaarwel en een verspaansing van het Italiaanse woord voor grootvader: nonno. Piazzolla’s vader was namelijk Italiaans en werd door Piazzolla’s kinderen ‘nonino’ genoemd. Bij het huwelijk van Prinses Máxima en Prins Willem-Alexander, op 2 februari 2002 werd het door Nederlands bekendste bandoneonist Carel Kraayenhof gespeeld in de Nieuwe Kerk, waardoor het lied in Nederland zeer bekend werd. Van de door Kraayenhof gespeelde versie werd een maand later een single uitgebracht.

Piazzolla’s opus, meer dan 1000 werken omvattend, een karakteristieke carrière en een ongetwijfeld Argentijnse smaak beïnvloeden nog steeds muzikanten van alle generaties in de hele wereld.

Histoire du Tango is een van de meest bekende composities, geschreven voor fluit en gitaar in 1986. Het was Piazzolla ’s levenswerk om de tango uit de bordelen en danszalen van Argentinië naar de concertzalen van Europa en Amerika te brengen. Een nobel streven, hetgeen wat de bordelen betreft toch een vraag oproept: “Zou hij dan wel eens?……”

Histoire du Tango vertelt de geschiedenis van de tango in vier delen: Bordello 1900, Cafe 1930, Night Club 1960, en Concert d’ Aujourd’hui. Piazzolla gaf zelf uitleg over de vier delen:

Bordello, 1900: De tango is ontstaan in Buenos Aires in 1882. Het werd voor het eerst gespeeld op gitaar en fluit. Later kwamen daar ook piano en concertina bij. Deze muziek is gracieus en levendig. Er werd volop op gedanst. Het schetst een beeld van het goedaardige geklets van de Franse, Italiaanse en Spaanse vrouwen die deze bordelen bevolkten en flirtten met politieagenten, dieven, zeilers, enzovoort. Dit is een tango met veel pit.

Cafe, 1930: Dit is een andere tijdperk van de tango. Mensen dansen niet meer zoveel de tango, maar luisteren er liever naar. Het werd hierdoor muzikaler en romantischer. Deze tango heeft tragere bewegingen, met nieuwe en vaak melancholische harmonieën. Tango orkesten komen te bestaan uit twee violen, twee concertina, een piano en een bas. De tango word soms ook gezongen.

Night Club, 1960: Dit is een tijd van snel groeiende internationale uitwisseling, en de tango evolueert als Brazilië en Argentinië komen samen in Buenos Aires. De bossa nova en de nieuwe tango krijgen dezelfde beat. Het publiek rent naar de nachtclubs om te luisteren naar de nieuwe tango. Dit markeert een revolutie en een diepgaande verandering in een aantal van de oorspronkelijke tango vormen.

Concert d’ Aujourd’hui: Bepaalde concepten in de tango muziek worden verweven met moderne muziek. Bartok, Stravinsky en andere componisten halen herinneringen op de melodie van tangomuziek. Dit is de tango van vandaag en de tango van de toekomst.

Bijna overbodig te melden dat Café 1930 met verve gespeeld werd door Cécile en Marieke!

Martijn Padding – Opposite Pieces for violin & accordion (2012)

Martijn Padding (Amsterdam, 24 april 1956) is een Nederlands componist en pianist. Hij is bekroond met onder meer de International Rostrum of Composers-prijs van UNESCO (2009). Voor het Holland Festival 2014 schreef hij de opera Laika.

Padding studeerde compositie bij Louis Andriessen aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Ook studeerde hij piano en muziekwetenschap aan de Universiteit van Utrecht. Hij maakte documentaires voor de radio en hij werkte jarenlang als begeleider op de piano bij het dansgezelschap van Krisztina de Châtel.

Padding schreef diverse soloconcerto’s voor instrumenten en klein ensemble. Het stuk Honk (2000) voor gitaar heeft het karakter van een lome ballad, maar zit vol bizarre glissandi en jengeltonen, onder meer voorgebracht door kleine claxons (Engels: ‘honk’) hetgeen een slapstick-effect geeft.

De concerten die op cd zijn uitgebracht als Three Concerti omvatten Eight Metal Strings (2007) voor mandoline, First Harmonium Concerto (2008), het eerste concert uit de muziekgeschiedenis dat speciaal voor harmonium is geschreven, en White Eagle (2009). De cd kreeg in 2011 de Edison Klassiek-prijs in de categorie ‘De Ontdekking’. In Eight Metal Strings bespeelt de slagwerker onder meer een fietspomp en een claxon. De fietspomp roept de muzikale ‘ruis’ op die ook in de Afrikaanse muziek zo’n belangrijke rol speelt. Het First Harmonium Concerto dankt zijn ontstaan aan een op een bierviltje gekrabbelde ‘tegoedbon’ die de harmoniumspeler Dirk Luijmes in een kroeg in Warschau door Padding kreeg toegestopt. Padding laat het harmonium klinken ‘als een Zuid-Amerikaanse accordeon of bandoneon.’ Voor dit concert kreeg Padding de Unesco-prijs voor composities, hij was de vierde Nederlandse laureaat na Louis Andriessen (1977), Hans Kox (1974) en Peter Schat (1973). Het vioolconcert White Eagle is een eerbetoon aan de in 2003 overleden componist Paul Termos Het celloconcert Last Words bevat ‘een op hol geslagen fantasie over de Forlane uit Bachs Eerste Orkestsuite, die al jaren in mijn hoofd zat en waarvan ik dacht dat ik eens een keer iets mee moest doen om er vanaf te komen’.

Een vermakelijk stuk met verrassende wendingen!

Ernest Bloch – Abodah

Ernest Bloch (Genève, 24 juli 1880 – Portland (Oregon), 15 juli 1959) was een Joods-Zwitsers-Amerikaans componist.

Bloch begon zijn vioolstudie in Genève toen hij 9 was. Hij studeerde eerst viool bij Eugène Ysaÿe in Brussel, en daarna compositieleer aan het Dr. Hoch’s Konservatorium in Frankfurt bij Iwan Knorr van 1900 tot 1901 en daarna bij Ludwig Thuille in München. In 1917 vestigde Bloch zich in de Verenigde Staten. Hij gaf les aan de University of California. Van 1920 tot 1925 was hij directeur van het nieuw opgerichte Cleveland Institute of Music en daarna tot 1930 directeur van het San Francisco Conservatory of Music. Het oeuvre van Bloch kan in de volgende periodes worden ingedeeld:

Beginperiode. Zijn vroegste werken zijn zeer duidelijk ontstaan onder invloed van Modest Moussorgsky, Richard Strauss en Claude Debussy. Hij schreef zijn opera Macbeth. De eerste opvoering van deze opera, waar hij vijf jaar aan gewerkt had, in Parijs in 1910 was geen succes.

De tweede periode wordt ook wel zijn Joodse Periode genoemd. Hij schreef zeer melancholische werken, onder andere Nigun uit Baal Shem, waarvan men tegenwoordig zegt dat elke zichzelf respecterende violist/cellist het wel op het repertoire heeft staan. Bloch krijgt na zijn Joodse Periode steeds meer bewondering voor Bach en Palestrina en besluit zich te verdiepen in het contrapunt. Zijn capaciteiten op dit gebied nemen aanzienlijk toe.

Zijn laatste periode wordt gekenmerkt door depressiviteit, met name door de Tweede Wereldoorlog. Hij greep terug naar de stijl van de laatste werken van Ludwig van Beethoven en eindigde met een poging tot aansluiting bij het serialisme.

Cécile licht toe dat ze dit stuk spelen omdat er zoveel in de wereld gaande is. Dat is een understatement wat niets te wensen overlaat en waar een ieder wel beelden bij heeft. Oorspronkelijk is het een stuk voor viool en piano en wijst op Jom Kipoer Het is een gebed.

Jom Kip(p)oer of Grote Verzoendag (Hebreeuws: יום כיפור), voluit Jom ha-Kippoeriem ofwel Dag van de Vergevingen (meervoud), wordt als de belangrijkste en heiligste dag beschouwd in het jodendom. Het was de ene dag in het jaar dat de hogepriester de allerheiligste plaats in de tempel te Jeruzalem betrad om te pleiten voor Gods volk. Jom Kipoer wordt beschreven in de Tenach (Hebreeuwse Bijbel), in het boek Bemidbar (Numeri) 29:7. De dag valt op 10 Tisjrie op de joodse kalender. Doordat dit een maankalender is, vallen joodse feestdagen zoals Jom Kipoer steeds op verschillende data van de gregoriaanse kalender. Het joodse etmaal en dus iedere feest- en gedenkdag loopt van zonsondergang tot zonsondergang, dus heeft de dag achtereenvolgens een avond, nacht, morgen, middag en namiddag. Men houdt zich aan beperkingen zoals vasten en niet-werken van begin zonsopgang tot einde zonsondergang – zodra er drie sterren aan de hemel waarneembaar zijn – op de volgende dag. Op de avond van Jom Kipoer is er de Kol Nidré-dienst waarop het Kol Nidré-gebed wordt uitgesproken. In het gebed wordt spijt betuigd over de verkeerde daden die mensen in het voorgaande jaar hebben gedaan, de zonden ten aanzien van de Schepper. Het Aramese Kol Nidré betekent letterlijk: alle eden: men bezint zich ook over alle eden en beloftes waarin men tekortgeschoten is, en spreekt de wens uit in het gebed dat waar dit het geval is, dit tenietgedaan mag worden. Dit betreft nooit geloften die tussen mensen gedaan zijn, zoals zaken die contractueel zijn vastgelegd, enkel zaken tussen de mens en de Schepper. Het besef en bekennen van het eigen falen staan tijdens Jom Kipoer centraal.

In de Tenach staat beschreven, dat op Jom Kipoer twee geitenbokken als zondoffer en een ram als brandoffer voor het hele volk Israël werden geofferd. Daarnaast werd een stier geofferd voor de zonden van de hogepriester en zijn familie. Allereerst werd het lot gebruikt om te bepalen welk geitje geslacht zou worden als zondoffer en welke als “zondebok” zou fungeren. De zondebok werd de stad uitgeleid om in de woestijn te worden vrijgelaten om zodoende (symbolisch) de zonden van het volk weg te dragen. Het begrip zondebok dat de Nederlandse taal kent, en scapegoat in het Engels, is afkomstig van dit ritueel.

Diensten of onderdelen van de dienst op de dag zelf zijn: Sjachariet, Moesaf, Mincha en de slotdienst, Ne’ila. Onderdeel van de dienst is de lezing van het boek Jona: de profeet Jona probeerde onder zijn verplichtingen ten aanzien van God uit te komen, wat hem niet lukte. Tevens wordt het gebed Avinoe Malkenoe aan de liturgie toegevoegd, alsmede de Widoej, de zondenbelijdenis.

Op Jom Kipoer wordt niet gewerkt. Verder wordt er door iedereen boven de 12/13 jaar oud gedurende meer dan een etmaal gevast, zowel wat eten als wat drinken betreft. Er worden niet-leren schoenen gedragen. Men onthoudt zich van seksuele omgang. Men gaat ’s avonds en overdag naar de synagoge, waar de dienst de hele dag voortduurt. Verder wordt veel witte kleding gedragen als symbool voor onschuld of zuiverheid. Mannen die voorgaan in de gebeden dragen witte doodskleding (genaamd: kittel of sargenes). Aan het einde van de Sjachariet-dienst, nadat de voorlezing uit de Tora is afgerond, worden de doden herdacht. Vaak worden hierbij ook de slachtoffers van de sho’ah herdacht. Die worden ook herdacht in een speciaal gebed dat kort na het begin van de Jom Kipoer-dag, tijdens de avonddienst Kol Nidré, wordt uitgesproken bij geopende Arke (kast waarin de Torarollen zich bevinden).

Helemaal aan het einde van de Jom Kipoer-dag, bij zonsondergang aan het einde van de Ne’ila-dienst wordt in de synagoge de lang aangehouden tekia op de sjofar geblazen. Hiermee wordt de dag besloten, en een soort nieuw begin ingeluid.

Het stuk wordt echt “neergezet”, absolute stilte, overweldigende zeggingskracht, een zacht ruisen van kippenvel, indrukwekkend! Zo’n moment dat je niet snel vergeet.

Johannes Brahms – Hongaarse volksdansen nr. 4, 7 en 1

Johannes Brahms (Hamburg, 7 mei 1833 – Wenen, 3 april 1897) was een Duitse componist, dirigent, organist en pianist. Brahms werd geboren in een sloppenwijk van Hamburg. Hij was de zoon van een muzikant die in cafés hoorn en contrabas speelde, en een kleermaakster. Toen hij tien jaar oud was, speelde hij de pianopartij in het pianokwintet opus 16 van Ludwig van Beethoven. Dit optreden werd bijgewoond door een Amerikaanse impresario, die veel geld bood voor een tournee in de Verenigde Staten van dit wonderkind. Onder druk van zijn pianoleraar, die bang was dat het talent zich door dit plan niet verder zou ontwikkelen, ging de tournee niet door. Johannes kreeg daarop gratis les van Eduard Marxsen, de beste pianoleraar van Hamburg.

Brahms moest, toen hij ongeveer dertien jaar was, om zijn ouders te steunen in hun voortdurende strijd tegen de armoede, populaire muziek spelen in kroegen en bordelen. Ondertussen las hij poëzie van onder anderen Novalis en Hölderlin om te ontsnappen aan het werk dat hem tegenstond. In deze periode arrangeerde en componeerde hij populaire salonmuziek voor piano-vierhandig: de manier in die tijd om amusementsmuziek in huiskamers ten gehore te kunnen brengen.

Op zijn vijftiende begon Brahms volksliedjes te verzamelen en te bewerken, en in 1851 kwam zijn eerste officiële werk tot stand, het Scherzo in es-klein (opus 4). Vlak daarna volgden zijn pianosonates in C (opus 1) en in fis-klein (opus 2): werken die Robert Schumann later zou kwalificeren als ‘versluierde symfonieën’.

In 1853 ging Brahms samen met de Hongaarse violist Eduard Reményi op tournee, waarbij hij in Düsseldorf Robert Schumann en diens vrouw Clara ontmoette. Dankzij de lovende kritiek van de zeer invloedrijke Robert Schumann was Brahms’ naam gemaakt. Brahms maakte van nabij mee dat Schumann een eind aan zijn leven wilde maken door zich in de Rijn te werpen. Schumann werd in een kliniek opgenomen en stierf in 1856. Brahms bleef innig bevriend met Clara Schumann tot haar overlijden in 1896.

Brahms dirigeerde veel, voornamelijk zijn eigen muziek, maar ook muziek van Bach en veel koormuziek. In de jaren 1856 tot 1858 werkte hij in Detmold aan het prinselijk hoftheater. Hij dirigeerde daar het koor en soms ook het orkest. In die periode gaf hij pianolessen aan prinses Friederike, een zuster van vorst Leopold III van Lippe. Hij was in 1863 in Wenen dirigent van de Singakademie en gaf concerten met werken van Bach, Schumann, Beethoven en volksliederen in eigen bewerking.

In 1860 ondertekende Brahms een manifest tegen de Nieuwduitse muziek, een stroming waarvan onder anderen Richard Wagner en Franz Liszt de grote figuren waren. Brahms en zijn medeondertekenaars maakten zich hiermee niet geliefd bij de modernisten. Hij voelde zich meer thuis in de klassieke traditie van Bach, Mozart, Haydn, Beethoven en Schubert. In 1862 verhuisde hij naar Wenen.

Na de dood van zijn moeder in 1866, een gebeurtenis die hem zeer aangreep, componeerde hij “Ein deutsches Requiem”, een oratorium over lijden en troost. Voor dit gigantische muziekstuk maakte hij gebruik van teksten in de vertaling van Maarten Luther van de Bijbel, in plaats van de gebruikelijke Latijnse dodenmis. Hij had het stuk achteraf liever het “Requiem van de Mens” willen noemen. Delen van “Ein deutsches Requiem” werden op Goede Vrijdag in 1868 met groot succes opgevoerd in de Domkerk van Bremen. Het complete werk van zeven delen ging onder leiding van Carl Reinecke op 18 februari 1869 in première in het Gewandhaus in Leipzig. Na ‘”Ein deutsches Requiem” componeerde Brahms onder meer “Rinaldo”, een ander groot muziekstuk voor koor en orkest, gebaseerd op teksten van Goethe.

In 1876 voltooide hij zijn eerste symfonie, een compositie waaraan hij meer dan twintig jaar had gewerkt. Deze symfonie kreeg in Wenen de bijnaam “Beethovens tiende”. Hoewel Brahms het aanvankelijk wel vleiend vond om als de erfgenaam van Beethoven te worden gezien, begon hij het later toch hinderlijk te vinden.

Brahms raakte door zijn successen in goeden doen, maar leefde altijd eenvoudig. Hij schonk geld aan veelbelovende musici, zoals Antonín Dvořák, en ondersteunde zijn familie en Clara Schumann. Mede door zijn botte manier van optreden maakte Brahms veel vijanden, maar hij had ook veel vrienden.

Hij overleed, 63 jaar oud, op 3 april 1897 aan leverkanker in Wenen. Zijn begrafenis was een grootse gebeurtenis. Op de route naar de begraafplaats stonden duizenden mensen. De stoet werd geflankeerd door vlaggen en toortsen. De kist werd gevolgd door vele vrienden, onder wie Antonín Dvořák en Alice Barbi. Het gebouw van de Wiener Musikverein was behangen met zwarte doeken. Brahms’ compositie “Fahr wohl” werd door de Singverein uitgevoerd. De laatste rustplaats van de componist is vlak bij die van Beethoven en Schubert. Ook Hamburg, zijn geboortestad, treurde: tijdens de begrafenis hingen daar de vlaggen halfstok.

Hoewel hij een van de laatsten der grote romantici was, was hij sterk georiënteerd op de classicistische stijl van de Eerste Weense School: Mozart, Haydn en Beethoven. Hij dweepte met Beethoven en Bach, geloofde in de conventionele vorm en structuur en was een tegenstander van de ‘rebelse’ Wagner en Liszt, en wat zij ‘de muziek van de toekomst’ noemden. Op latere leeftijd waagde hij het om te ontsnappen aan de classicistische conventies die hijzelf had aangehangen en met zijn composities bekrachtigd. Zo kreeg de finale van de vierde symfonie de vorm van een chaconne, ontleend aan een (vroege) cantate van J.S. Bach. Dit kwam hem uit eigen kring op forse kritiek te staan.

Brahms’ oeuvre is zeer omvangrijk, hoewel veel ervan door de perfectionistische componist zelf is vernietigd. Hij schreef vier symfonieën, twee serenades en twee pianoconcerten (zie Pianoconcert nr. 1 en Pianoconcert nr. 2), een vioolconcert en een dubbelconcert voor viool en cello, ongeveer 330 liederen, kamermuziek (sonates voor viool, cello en klarinet; strijkkwartetten, -kwintetten en -sextetten; muziek voor piano solo), en hij bewerkte muziek van Händel, Schubert en Bach. Brahms’ muziek wordt gerekend tot de late romantiek, waarin veel volkse invloeden te vinden zijn. Tot zijn bekendere werken behoren de “Hongaarse dansen”.

De Hongaarse dansen zijn een verzameling van 21 dansen voor vierhandig piano. Alleen de nummers 11, 14 en 16 zijn geheel originele composities van Brahms. De melodieën van de andere Dansen zijn niet oorspronkelijk van Brahms zelf, maar zijn een bewerking van bestaande melodieën. Het zijn ook echter geen originele Hongaarse volksliederen van Hongaarse zigeuners zoals vaak wordt aangenomen, maar meer thema’s die Brahms kende via de violist Eduard Reményi. Deels zijn ze afkomstig van Reményi zelf en deels van andere componisten uit de Hongaarse folklore uit die tijd. Brahms heeft er in elk geval goed aan verdiend.

Cécile en Marieke zetten een boeiende versie neer van de nummers die zij spelen. Een waardig slot van dit zéér boeiende concert!